God is geen beoordelende
God, maar een God van liefde; daar ben ik mee grootgebracht. ‘Het komt allemaal
wel goed,’ zei mijn moeder altijd. Dan zal het voor de troon ook wel goed
komen. Ik word nú aangesproken op hoe ik nú leef. Elke dag is mijn dag des
oordeels.
Stef Bos (in de EO gids,
16/22 januari 2010, blz. 18)
Theatermaker, acteur,
liedjeszanger en vooral authentiek mens Stef Bos keert terug naar zijn
christelijke roots in een uniek project, waarin hij in de huid kruipt van een
aantal Bijbelse figuren. In dit lied kruipt hij in de huid van GOD. Het is een
bijzonder/prikkelend lied geworden.
Lied van God
Het lied van God
Nu ik terugkijk op mijn leven Met nog een eeuwigheid te gaan En ik zie wat voor ellende Zich heeft voltrokken in mijn naam Verlang ik terug naar het begin Toen ik door niemand werd herkend Want er wordt veel van mij gemaakt Wat ik helemaal niet ben
Nee ik heb niemand uitverkoren Wat er ook geschreven staat Het is allemaal verzonnen Door wie zijn voordeel er mee haalt En ik heb niets tegen de joden Het is een volk met veel talent Maar ook zij maken iets van mij Waar ik mezelf niet in herken
Als ik alles moet geloven Wat er van mij wordt gezegd Ben ik heiliger dan heilig En slechter dan slecht Ik ben een speelbal In de verbeelding van de mens Ze maken iets van mij Wat ik meestal niet ben
Ik ben de liefde wordt gezegd Gewapend tot de tanden De pispaal voor de een De richtlijn voor de ander Ik voel me eenzaam en onzichtbaar Al ben ik ook bekend Er is teveel van mij gemaakt Wat ik helemaal niet ben Ik zal u zeggen wie ik ben
Ik ben de wolken en de wind Het vuur dat eeuwig brand Ik ben de stroming De zee Ik ben het grenzeloze land Onvoorspelbaar Ik ben niet wat je denkt Er is teveel van mij gemaakt Wat ik helemaal niet ben
Ik ben de opium voor het volk Door filosofen doodverklaard En ik heb een plaatsvervanger Waar ik nooit om heb gevraagd Ik ben de oorzaak van de oorlog De schrijver van een boek Ik ben het heilige excuus Voor wie naar moeilijkheden zoekt
Ik heb meer gevoel voor humor Dan de meeste mensen denken En zij die zeggen mij te volgen Nemen alles veel te ernstig Zelfs dit lied zal vrijwel zeker Als blasfemie worden bestempeld En al zing ik het ook zelf Dan wordt het nog ontkend Alsof ik niet weet wie ik zelf ben
Ik zal u zeggen wie ik ben
Ik ben de wolken en de wind Het vuur dat eeuwig brand Ik ben de stroming De zee Ik ben het grenzeloze land Onvoorspelbaar Ik ben niet wat je denkt Er is teveel van mij gemaakt Wat ik helemaal niet ben
Zondag 13 december heb ik gesproken in de Evangelie
gemeente in Zoetermeer. Het onderwerp zie je in de titel. Naar aanleiding van
Openbaring 21 de eerste acht verzen. Grenzeloze hoop. Met name Openbaring 21:5
is spannend tot in je tenen: “En Hij, die op de troon gezeten is, zeide: Zie,
IK maak alle dingen nieuw.” Waarom spannend? Jezus zit hier op de troon als een
LAM. Het vindt plaats op de al vernieuwde aarde. De gelovigen zijn allemaal al
vernieuwd, ook de hemel is al vernieuwd, het vernieuwde Jeruzalem is al op
aarde. MAAR, dan lezen we in het vijfde vers “Ik maak alle dingen nieuw”. In de
onvoltooid tegenwoordige tijd. Met andere woorden, dat is het LAM, de Here
Jezus op dat moment aan het doen en het is nog niet voltooid. Wie of wat moet
er dan nog worden vernieuwd??? Alleen nog de mensen die zich buiten het
vernieuwde Jeruzalem bevinden (in de poel des vuurs) “Maar de lafhartigen, de
ongelovigen, de verfoeilijken, de hoereerders, de tovenaars, de afgodendienaars
en alle leugenaars –hun deel is in de poel, die brandt van vuur en zwavel, dit
is de tweede dood”. (vers 8)
Zal het Jezus lukken vers 5 van Openbaring 21 waar te
maken? Meer horen? Luister naar onderstaande preek:
'De mens ervaart zichzelf, zijn gedachten en gevoelens als iets wat gescheiden is van de rest -een soort optisch bedrog van zijn bewustzijn. Deze waan is een soort gevangenis die ons beperkt tot onze persoonlijke verlangens en tot genegenheid voor slechts een paar mensen. Onze taak moet zijn ons uit deze gevangenis te bevrijden door de kring van ons mededogen uit te breiden en alle levende wezens en de hele natuur in haar schoonheid te omarmen'
Albert Einstein (geciteerd in Kluun, God is gek, de dictatuur van het atheïsme, blz. 56)
Er zit een gejaagdheid in onze cultuur, waar je maar moeilijk grip op lijkt te krijgen. Als je aan iemand vraagt hoe het gaat hoor je meestal: DRUK..WEINIG TIJD. Toch brengt een modern mens gemiddeld zes jaar van zijn leven wachtend door. Hebben we nu echt minder tijd gekregen? Of zit het meer in de ‘gevoelstijd’. De Nederlandse filosoof Pieter Hoexum vraagt zich vandaag in de Trouw af hoe het zit met onze ‘gevoelstijddruk’. Hij begint met de opmerking: “We maken ons heel erg druk, zonder dat we het echt druk hebben”. In zijn poging tot een oorzaak van het moderne gebrek aan tijd steekt hij plotsklaps de diepte in. Een mooie korte analyse volgt: “’Het graf gaapt, de tijd zoemt en nergens is redding’, laat Gerard Reve zijn Frits van Egters in ‘De avonden’ denken. De oeverloosheid van de tijd kan ons inderdaad onbehaaglijk maken, angstig zelfs. We steken de kop liever in het zand dan dat we die nooit eindigende woestijn van tijd onder ogen zien. Je zou kunnen zeggen dat deze horror vacui, deze angst voor de leegte, vóór de secularisatie bezwoeren met godsdienst. Heel simpel: je vulde je tijd met bidden. Sinds de dood van God vullen we onze tijd met werken, werken, werken en maken we ons druk-druk-druk. Als ik me niet vergis zit er daarom méér achter de ergernis van het wachten: een angst voor verveling, een angst voor de confrontatie met de oeverloosheid”.
Ik denk dat Pieter van Hoexum hier diep doordringt in het fundament (of gebrek aan fundament) van onze drukke samenleving. Alhoewel zijn beeld van het leven van voor de secularisatie enigszins beperkt is, alsof ‘gelovige’ mensen hun tijd al biddend doorbrengen. Ik denk dat het geheim zit in het accepteren van je eindigheid als klein mensje, terwijl je weet dat de tijd ten diepste in veilige handen is, of zoals de Prediker zegt: “Alles heeft zijn uur en ieder ding onder de hemel zijn tijd”. Zo krijg je de tijd terug van de Maker van de tijd. Met het besef in je diepste wezen dat de tijd niet het laatste woord heeft, mag je genieten en plezier hebben in het goede van het leven zonder DRUK,DRUK,DRUK…, of zoals Prediker het zegt: “Alles heeft Hij voortreffelijk gemaakt op zijn tijd; ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd, zonder dat de mens van het werk dat God doet, van het begin tot het einde iets kan ontdekken. Ik heb ingezien, dat het niet in hun eigen macht staat, maar als men zich verheugt en zich te goed doet in zijn leven, kortom als iemand eet en drinkt en het goede geniet bij al zijn zwoegen, dan is dat een gave Gods”. (Pred.3:11-13).
Een heel gelukkig 2010! We hebben weer heel veel tijd voor ons…366 dagen, 8784 uur, 527040 minuten, 31622400 seconden.
In de Trouw
van zaterdat 21 november staat een eerste artikel over beelden die mensen
vanuit het verleden en heden hebben over de hemel. Hieronder lees je een indringend
citaat van de godsdienstsocioloog Meerten ter Borg, verbonden aan de
Universiteit van Leiden. Hij beschrijft de worsteling van ons mensen met de
zinvgeving aan ons bestaan. De echo van het bijbelse denken is hoorbaar en
voelbaar. Ik moest hierbij onder meer denken aan een gedeelte uit Romeinen 8: ‘want
de schepping wacht met reikhalzend verlangen op het openbaar worden der zonen
Gods. Want de schepping is aan de zinloosheid onderworpen, niet vrijwillig,
maar om de wil van Hem, die haar daaraan onderworpen heeft, in hope echer,
omdat ook de schepping (met alle schepselen!!) zelf van de dienstbaarheid aan
de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der
kinderen Gods”. Ter Borg laat op indringende wijze deze bijbelse worsteling
zien en geeft kernachtig weer dat in het diepste wezen van de mens de
onwrikbare hoop verankerd zit ‘alles komt goed’, bijbels gedundeerd: “God zal
alles zijn in allen/ de bevrijding van de schepping”
Hier volgt
het citaat van Meerten ter Borg
“Het ondraaglijke van het leven is
de dood. De dood bewijst immers onze vergankelijkheid, onze kwetsbaarheid.
Mensen zijn zich bewust van hun eindigheid en hebben daar geen vrede mee: de
gedachte dat je zelf opeens weg bent, dat je je geliefden nooit meer zult zien.
Het besef van de dood roept de vraag op wat de zin van ons bestaan is. Waarom
zijn we hier? Wat moeten we doen om ons korte leven zinvol te doen lijken in
het licht van de eeuwigheid? De worsteling met deze vragen is wat ons
onderscheid van de dieren. Dieren vragen zich niet af, waar ze bij horen, wat ze
moeten doen en wat de zin van alles is. Zij hebben deze oriëntatiemiddelen
vanzelf meegekregen. Ze ruiken het, bij wijze van spreken. Mensen heben de
noodzaak én de mogelijkheid gekregen over het leven na te denken, een
wereldbeeld te verzinnen. Daar is niemand de hele tijd mee bezig. De meesten
sluiten zich af voor deze vragen. Die vragen komen hooguit op bij speciale momenten,
zoals bij iemands dood. En dan branden ze een kaarsje. Het grootste deel van de
mensen zet de absurditeit van het bestaan van zich af door ervan uit te gaan
dat het allemaal wel goed komt.” (Trouw, zaterdag 21 november 2009, blz. 43)
Soms lees je van die uitspraken waar je wel op moet reageren. In de EO-gids van de komende week kwam ik er zo een tegen.Hier volgt hij:
“Wordt er niet gesproken over de toorn van God, dan wordt het evangelie niet verkondigd”. Oscar Lohuis licht zijn uitspraak toe door te zeggen: “In getuigenis of prediking waarin uitsluitend over Gods liefde wordt gesproken, mist de kern van het Goede Nieuws”.
Eerlijk is eerlijk, ik heb Oscar hoog staan, maar hier slaat hij volgens mij de christelijke plank mis.
Ik wil hier graag een andere stelling tegenover stellen (deze zal de EO-gids wel niet halen)
“Als je de liefde van God gelijkstelt met Zijn toorn dan creëer je een heidens godsbeeld en wordt het evangelie niet verkondigd”. Oscar trekt in zijn stelling de liefde en toorn van God uit elkaar. God krijgt dan twee gezichten: aan de ene kant is Hij liefde en aan de andere kant toorn. Op deze manier scheur je het wezen van de Here God uit elkaar en creëer je een God zoals de volken rondom Israël die kenden. De goden van de volken rondom Israël moest je tevreden stellen met offers. Ze hielden van je (voorwaardelijk) zolang je de godheid maar tevreden stelde. Anders kreeg je te maken met toorn van de god.
In 1 Joh. 4 stelt Johannes: God IS liefde. (1 Joh.4:16). Dit is Zijn wezen!Over de vermenging met straf/toorn, lees maar verder in 1 Joh. 4:18: “Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit; want de vrees houdt verband met straf en wie vreest, is niet volmaakt in de liefde. Wij hebben lief, omdat Hij ons heeft liefgehad”. In de traditionele theologie is God boos/toornig op ons kleine mensjes, daarom stuurt Hij Jezus om God gunstig te stemmen. Lieve mensen dit is een door en door heidens godsbeeld. God stuurt Zijn zoon niet omdat Hij boos op ons is, maar omdat Hij van ons houdt (zie Joh.3:16 ‘Alzo lief had God de wereld…). Daarbij hoeft God niet verzoend te worden omdat Hij toornig zou zijn. Het is juist de mens die boos is op God, wij worden door Jezus veranderd/verzoend met God (lees 2Kor 5:19, God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende).
Ten slotte poneert Oscar met zijn tegenstelling tussen Gods liefde en toorn een valse tegenstelling. Als God boos is en toornt dan is dat ten diepste een daad geïnspireerd vanuit Zijn liefde. Je kunt het vergelijken met een vader die zielsveel van zijn kind houdt. Als dat kind straf verdient, toorn dus, dan straft de vader vanuit liefde (met tranen is zijn ogen) zijn kind.Daarbij is toorn in het bijbelse denken ‘gericht’, wat letterlijk de betekenis in zich heeft van ‘recht maken wat krom is’. Met andere worden toorn heeft ten diepste een heilzaam doel en vindt plaats vanuit Liefde.
‘Kiezen voor de waarheid,’ had Yitschakgezegd, ‘is als een kaars in de wind gaan staan. De misstappen van een mens breken zijn moed en ontnemen hem zijn kracht. Maar met innerlijke overtuiging kan men bij de zwaarste storm zijn vlam brandend houden.’
Niet dat het God veel uitmaakte. Die had alle tijd van de wereld tot het moment waarop de hele Schepping uit eigen beweging voor liefde koos.
In: De Kabbalist, van Geert Kimpen. Over het levensverhaal van rabbi Chaim Vital. (blz. 176)
Het nu volgende stukje komt uit het volgende boek: Ir. J. van der Graaf, Delen of Helen,
Hervormd kerkelijk leven in en met de Gereformeerde Bond, 1906-1951, Kok
Kampen, 1978, blz. 47.
“Leven na dit leven
Ds. J.A. Cramer, hervormd predikant te Den Haag, heeft
blijkens een stuk in Opwaarts merkwaardige opvattingen over het leven na
dit leven.
,,1. Ik acht het buiten alle twijfel, dat de gelegenheid om
zich te bekeren,… na de dood evenzeer blijft als voor de dood: Mij dunkt, wij
blijven na de dood dezelfde geestelijke wezens, die wij vóór de dood waren en
wij beginnen aan de andere zijde van het graf weder op hetzelfde punt, waar we
aan deze zijde van het graf zijn geëindigd.
2. De voorstelling, dat de ure van ’t lichamelijk sterven
voor eeuwig over onze geestelijke toestand zou beslissen, vind ik absurd (zeer
dwaas).
3. Eeuwige straffen voor tijdelijke zonden. Gij gevoelt, dat
gaat niet.
4. Ons hart went aan de prediking van een eeuwige verdoemenis
spoedig genoeg; dan moet ge maar eens kijken naar de onaandoenlijke gezichten
van Veluwse boeren, die er al op zitten te wachten en teleurgesteld zijn als ze
die prediking niet te horen krijgen.
5. (Er zijn mensen die door allerlei omstandigheden niet
kunnen geloven). Maar wat verhindert ons aan te nemen dat na de dood de
belemmeringen zullen worden weggenomen?
6. Zij die willen geloven en niet kúnnen, en al meer blijven
willen en al maar niet kúnnen, en al worstelende zonder te overwinnen sterven,
zullen na de dood verkrijgen al wat zij in dit leven steeds te vergeefs hebben
gezocht.
7. Wij geloven dat het merendeel der mensheid eerst na de
dood de diepte strijf zal moeten doorworstelen, die hier (op aarde) angstvallig
wordt gemeden.
8. En wanneer iemand het nu niet met mij eens is, of wanneer
iemand nu met een paar Bijbelteksten of met een paar stukken dogmatiek gereed
staat om die naar mij toe te werpen, dan ben ik niet van plan terug te gooien.”
dr. J.A. Cramer
(1864-1952) stond als hervormd predikant in Nederhemert, Alkmaar en Den Haag en
was hoogleraar kerk- en dogmengeschiedenis in Utrecht
25 augustus 2009
"Het evangelie is geen leerboek voor persoonlijk geluk of een stappenplan voor innerlijke stilte, maar een proclamatie van bevrijding van een verdrukte wereld. Jezus is geen goeroe, maar een Bevrijder".
Boele P. Ytsma (in Van de kaart, Manifest van een gepassioneerde twijfelaar, blz. 98)
Hoe krijg je Israël en Assyrië onder één dak? Jona, als zoon
van Israël, slachtoffer van het wrede soldatenvolk Assyrië heeft terecht grote
problemen met Gods barmhartigheid voor Assyrië. Hij kon het (nog) niet
meemaken. God veroordeelt Jona niet maar probeert hem Zijn hart te laten zien
voor de volken.
Jona staat hierin min of meer ook een beetje symbool voor de
Kerk. De kerk heeft grote problemen met Gods barmhartigheid voor de volken (de –nog-
niet gelovigen). Ze heeft in haar (eigen) wijsheid bedacht dat de volken voor
altijd buiten het heil blijven. God veroordeelt de Kerk niet maar probeert haar
Zijn hart te laten zien.
Deze en andere gedachten over Jona hoor je terug (vanuit het
Woord uitgewerkt) in de onderstaande preek.