Carlton Pearson, ex-predikant van een grote charismatische Pinkstergemeente in de Verenigde Staten, in gesprek met de man die hem net heeft ontslagen…
‘Mijn vader is in de hel’. Dit waren de woorden van de predikant die mij juist veroordeeld had als een moderne ketter, niet langer welkom in de honderden charismatische Pinksterkerken die hij als voorzitter van de synode vertegenwoordigde.
Hij ging verder, ‘Mijn aan de drugs verslaafde rebellerende zoon vind het prachtig wat jij allemaal preekt. Hij is ook op weg naar de hel’. Ik antwoordde, ‘Hoe weet je dat je vader in de hel is?’
De predikant zei: ‘Ik weet het omdat hij stierf terwijl hij spiernaakt met een vrouw bovenop hem lag, met een pistool in iedere hand, hij zit in de hel waar hij ook thuishoort.’ De man was woedend. ‘Hoe lang is hij daar al?’, vroeg ik zachtjes. ‘Hij is daar nu meer dan tien jaar’. ‘Denk je dat hij zijn lesje inmiddels geleerd heeft?’, vroeg ik hem. ‘Ik weet het niet’, antwoordde de predikant. ‘Hield je van je vader?’. ‘Ik adoreerde hem, hij was mijn held’, zei de predikant. ‘Maar hij verraadde mij en mijn moeder. Hij was niet trouw aan mijn moeder en onverantwoordelijk, maar ik hield van hem’.
Ik vroeg vriendelijk: ‘Heb je het hem vergeven?’ ‘Ja, ik heb het hem lang geleden vergeven’, antwoordde hij. Ik vroeg door: “Hoe zit het met je hemelse Vader? Denk je dat Hij je vader ook al vergeven heeft?’ De predikant was een paar seconden stil en zei toen: ‘ik weet het niet’. Ik ging verder: ‘Je zei dat je vader in de hel zit, huilend, in pijn, tandenknarsend voor al meer dan tien jaar. Denk je dat hij zijn les al geleerd heeft?’
De predikant antwoordde: ‘ik weet het niet, alleen God weet het’. Nog een persoonlijke vraag: ‘Als er een manier was om je vader uit de hel te krijgen, zou je dat dan doen?’ Na een lange pauze, antwoordde hij: ‘ik weet het niet’. Ik ging nog verder: ‘Je zei dat je van hem houdt en hem hebt vergeven. Zeg je nu dat je, zelfs als het zou kunnen, je je vader niet uit de hel zou willen halen?’ Tot mijn ontzetting antwoordde hij opnieuw: ‘ik weet het niet’.
Het was op dat moment dat ik zeker wist dat het religieuze systeem dat ik heel mijn leven al omhelsd had, en dat me zojuist geëxcommuniceerd had voor het ‘overschatten’ van de liefde van God (te veel en voor te veel mensen), pijnlijk gebroken was en op geen enkele manier representatief voor de God en Christus die ik liefhad en heel mijn leven al diende.
Er moest iets worden gedaan aan deze gemene, wraaklustige geest waar deze predikant blijk van gaf. Zo leidt hij als blinde leidsman de blinden steeds dieper in een meer vernietigende put. Mijn religie is dodelijk ziek.”
In: The Gospel of Inclusion, Reaching beyond religious fundamentalism to
the true love of God and self, 2006, blz. 15-17.











