Meerten ter Borg over zingeving, zinloos, hemel, alles komt goed...
In de Trouw
van zaterdat 21 november staat een eerste artikel over beelden die mensen
vanuit het verleden en heden hebben over de hemel. Hieronder lees je een indringend
citaat van de godsdienstsocioloog Meerten ter Borg, verbonden aan de
Universiteit van Leiden. Hij beschrijft de worsteling van ons mensen met de
zinvgeving aan ons bestaan. De echo van het bijbelse denken is hoorbaar en
voelbaar. Ik moest hierbij onder meer denken aan een gedeelte uit Romeinen 8: ‘want
de schepping wacht met reikhalzend verlangen op het openbaar worden der zonen
Gods. Want de schepping is aan de zinloosheid onderworpen, niet vrijwillig,
maar om de wil van Hem, die haar daaraan onderworpen heeft, in hope echer,
omdat ook de schepping (met alle schepselen!!) zelf van de dienstbaarheid aan
de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der
kinderen Gods”. Ter Borg laat op indringende wijze deze bijbelse worsteling
zien en geeft kernachtig weer dat in het diepste wezen van de mens de
onwrikbare hoop verankerd zit ‘alles komt goed’, bijbels gedundeerd: “God zal
alles zijn in allen/ de bevrijding van de schepping”
Hier volgt
het citaat van Meerten ter Borg
“Het ondraaglijke van het leven is
de dood. De dood bewijst immers onze vergankelijkheid, onze kwetsbaarheid.
Mensen zijn zich bewust van hun eindigheid en hebben daar geen vrede mee: de
gedachte dat je zelf opeens weg bent, dat je je geliefden nooit meer zult zien.
Het besef van de dood roept de vraag op wat de zin van ons bestaan is. Waarom
zijn we hier? Wat moeten we doen om ons korte leven zinvol te doen lijken in
het licht van de eeuwigheid? De worsteling met deze vragen is wat ons
onderscheid van de dieren. Dieren vragen zich niet af, waar ze bij horen, wat ze
moeten doen en wat de zin van alles is. Zij hebben deze oriëntatiemiddelen
vanzelf meegekregen. Ze ruiken het, bij wijze van spreken. Mensen heben de
noodzaak én de mogelijkheid gekregen over het leven na te denken, een
wereldbeeld te verzinnen. Daar is niemand de hele tijd mee bezig. De meesten
sluiten zich af voor deze vragen. Die vragen komen hooguit op bij speciale momenten,
zoals bij iemands dood. En dan branden ze een kaarsje. Het grootste deel van de
mensen zet de absurditeit van het bestaan van zich af door ervan uit te gaan
dat het allemaal wel goed komt.” (Trouw, zaterdag 21 november 2009, blz. 43)





